Waarom condensatietechniek?

Toen in de jaren 60 de centrale verwarming algemeen werd, was er niet veel keuze buiten een standaardketel die op 90 °C werkt met een zeer elementaire regeling. Na de eerste oliecrisis begin jaren 70 steeg de energieprijs aanzienlijk en werd het energieverbruik belangrijker. Om hier op in te spelen zochten fabrikanten oplossingen zoals een regeling die de keteltemperatuur aanpast aan de buitentemperatuur (weersafhankelijke regeling) en ketels die werken bij lagere temperaturen. Op die manier werden de energieverliezen vermindert en ging het rendement omhoog.

In de jaren 90 werd dan weer het milieu een belangrijk aandachtspunt: zure regen en het vrijkomen van stikstofoxiden bij verbranding baarden veel zorgen. Minder verbruik betekende ook minder vervuiling waardoor het concept van verwarmingsketels opnieuw bekeken werd en de eerste condensatie- of hoog rendementsketels (HR-ketels) het levenslicht zagen.

Op dat moment was energie relatief goedkoop en werd er minder belang gehecht aan het lager verbruik. Maar met Kyoto, de nieuwe CO2 richtlijnen en de plotse stijging van de energieprijzen veranderde alles. De condensatietechniek bleek de enige doordachte oplossing te zijn. De hedendaagse condenserende ketel warmt de stookruimte niet op (lage stralingsverliezen), levert warmte af als u die nodig heeft (lage stilstandverliezen) en heeft minimale energieverliezen via de schoorsteen (lage schoorsteenverliezen) wat voor een optimaal rendement zorgt. Dit in combinatie met een moderne brandertechnologie zorgt voor een zeer lage uitstoot van schadelijke stoffen wat uiteraard beter is voor mens en milieu.

Vanaf 26 september 2015 moeten condensatieketels voldoen aan de nieuwe ErP-normen. Vanaf dat moment zal het niet meer toegelaten worden nog niet-condenserende ketels te plaatsen, op 1 uitzonderingsregel na. Meer informatie hierover vindt u hier.